- Producten
- Eukanuba-fokkersvoeding
- En op Eukanuba.com:
- Eukanuba-hondenvoeding voor consumenten
- Bibliotheek
- Artikelen over hondenvoeding
- Artikelen over prestatiehonden
- Fokkers-tv
- En op Eukanuba.com:
- Breedopedia
- Breedmatch
- Eukanuba TV
- Partnerschappen
- AKC
- FCI
- IRO
- ADI
- Breeder Partner:
- Margery Good
- Mike Gadsby
- Fokkersclub
- Nieuws
GEPASSIONEERDE FOKKERS
BLIJVEN LEREN.
Op ras en grootte afgestemde hondenvoeding
Archiefdocument IAMS COMPANY
Iams is sinds 1999 een gedeponeerd handelsmerk van The Procter & Gamble Company. Dit is een archiefdocument dat in het verleden is gebruikt door Iams Pet Food of voor Iams Pet Food-producten. Alle vermeldingen in dit document dienen te worden geplaatst in de context van de tijd en geografische locatie van het eerste gebruik, aangezien de omstandigheden en producten in de tussentijd mogelijk zijn veranderd. Producten en bijbehorende gegevens zijn uitsluitend van toepassing op de VS. Deze documenten mogen uitsluitend worden gebruikt met toestemming van P&G.
OP RAS EN GROOTTE AFGESTEMDE VOEDING
Martin Coffman, DVM
Research and Development Division
The Iams Company, Lewisburg, Ohio, USA
Presented at the Iams Breeder' Symposium, February 9, 2002
INLEIDING
150 hondenrassen zijn door de American Kennel Club erkend. Wanneer men stilstaat bij het aantal rassen dat is geregistreerd door de United Kennel Club, het Field Dog Stud Book, de Canadian Kennel Club en de vele andere registraties elders ter wereld, is de diversiteit aan hondenrassen die als huisdier worden gehouden werkelijk indrukwekkend. Deze rassen verschillen aanmerkelijk in grootte, doel, lichaamsbouw en genetische samenstelling. Hoewel alle honden vanuit fysiologisch oogpunt vergelijkbaar zijn (ze hebben allemaal een hart, nieren, een spijsverteringsstelsel, twee ogen, enzovoort), zijn er tussen de rassen vele verschillen.
Rassendifferentiatie kan worden teruggevoerd tot de tijd dat honden voor het eerst als huisdier werden gehouden. De mens merkte bij de eerste huishonden bepaalde kenmerken op die nuttig waren voor zijn overleving, van wilde honden tot wolven. Men begon honden te fokken voor specifieke doeleinden, van de zichtjacht tot het volgen van geursporen en van het aanwijzen van wild tot het bewaken van kampen. Nu, eeuwen later, zijn de rassen zeer verschillende wezens geworden waarin deze vroege toepassingen nog wel terug te zien zijn, ook al is hun oorspronkelijke functie minder belangrijk geworden door de ontwikkeling van de maatschappij.
Deze diversiteit aan rassen, met name de variatie in de grootte van de rassen, heeft dierenartsen, voedingsdeskundigen, kennelhouders en fokkers voor uitdagingen gesteld. De grootte van een ras is vaak een afspiegeling van verschillende stofwisselingssnelheden, groeisnelheden en levensverwachtingen. Een Chihuahua van 2,3 kg en een Newfoundlander van 68 kg komen bijvoorbeeld tot volledige ontwikkeling en groei binnen een relatief vergelijkbare tijdspanne. Maar dit 30-voudige verschil in de afmeting van het volwassen dier houdt wel in dat de groeisnelheid van de Newfoundlander (in pond lichaamsgewicht per maand) en de hoeveelheid weefsel die van de kleine Chihuahua ver te boven gaan. Met het oog op de gezondheidszorg en de voeding dienen dierenartsen en voedingsdeskundigen rekening te houden met deze ongelijkheden.
VOEDINGSBEHOEFTEN
Kleine rassen
Kleine en dwergrassen hebben een grotere energiebehoefte per eenheid lichaamsgewicht dan de grote en zeer grote rassen.1 Dit komt omdat de basissnelheid van de stofwisseling is gerelateerd aan de totale lichaamsoppervlakte. Omdat de verhouding tussen oppervlakte en lichaamsgewicht bij kleine rassen groter is dan bij grote rassen hebben zij per eenheid lichaamsgewicht (pond of kilogram) meer energie nodig. Kleine rassen hebben bovendien een relatief kleine maag dus hun vermogen om voeding te consumeren is enigszins beperkt.
Voeding die is ontwikkeld voor kleine rassen zou een hoger energiegehalte moeten hebben en rijker aan voedingsstoffen moeten zijn dan voeding voor grotere rassen. Een goede verteerbaarheid is ook een belangrijke factor zodat in kleine porties een optimale voeding kan worden gegeven. De grootte en vorm van de brokjes moet ook specifiek zijn ontworpen voor kleine bekjes zodat ze gemakkelijk kunnen worden gekauwd en opgegeten.
Middelgrote rassen
Kleine en grote rassen hebben specifieke voedings- en gezondheidsbehoeften die goed zijn gedocumenteerd. Maar de middelgrote rassen zoals Beagles, Spaniëls en de verschillende herdershonden, vallen tussen wal en schip. Sommige aan de voeding gerelateerde problemen van grote rassen, zoals problemen bij de ontwikkeling van de botten, komen af en toe voor bij middelgrote rassen. Middelgrote rassen hebben een gemiddelde energiebehoefte die afhankelijk is van hun levensstijl. Bij het bepalen van de gezondheids- en voedingsbehoeften van deze tussenliggende rassen en het ontwikkelen van een dieet dat hen optimale voeding biedt, moeten voedingsdeskundigen en dierenartsen rekening houden met bepaalde behoeften van de kleine rassen en van de grote rassen.
Beheersing van de bloedsuikerrespons bij kleine en middelgrote rassen
Aangezien zetmeel het primaire ingrediënt is dat verantwoordelijk is voor een stijging van de bloedsuikerspiegel na een maaltijd, verdient deze klasse voedingsstoffen grote aandacht in de voeding van kleine en middelgrote rassen.2 Het behoud van een gezonde bloedsuikerspiegel is wenselijk bij grote rassen, maar ook de kleine rassen hebben baat bij een dergelijke beheersing.
De beheersing van de bloedsuikerspiegel kan in verschillende levensfasen of omstandigheden verslechteren. Diabetes, obesitas, dracht en veroudering kunnen het vermogen van honden om hun bloedsuikerspiegel te beheersen verminderen.2 Het eten van voeding resulteert in een stijging van de bloedsuikerspiegel na de maaltijd, gevolgd door een verhoging van het insulinegehalte in het bloed. Dieren waarbij het vermogen om de bloedsuikerspiegel te reguleren niet goed functioneert, hebben vaak moeite met het opslaan van glucose. Als gevolg daarvan kan de bloedsuikerspiegel gedurende langere perioden hoog blijven dan het geval is bij dieren met een normale regulering van de bloedsuikerspiegel. Dieren met een dergelijke verstoring hebben er baat bij als de normale bloedsuikerspiegel sneller wordt hersteld. Voeding die deze stijging van de bloedsuikerspiegel na een maaltijd tot een minimum beperkt, kan daarbij helpen.2
Het is goed gedocumenteerd dat verschillende zetmeelbronnen in verschillende mate invloed hebben op de stijging van de bloedsuikerspiegel na een maaltijd en de insulinerespons.3 Wetenschappers hebben voor mensen aan veel soorten zetmeel een "glycemische index" gekoppeld om voedingsstoffen met elkaar te kunnen vergelijken op basis van de bloedsuikerspiegels die ze veroorzaken.4 Aangezien de meeste koolhydraten in voeding direct worden afgebroken tot bloedsuiker (glucose), kan hun invloed op de glucosehuishouding aanzienlijk zijn.
Onderzoek door The Iams Company heeft informatie opgeleverd over de invloed van de zetmeelbron op de bloedsuikerspiegel na de maaltijd bij honden.2 In dit experiment varieerden de testdiëten alleen voor wat betreft de zetmeelbron. De resultaten wezen uit dat de bron van het zetmeel zowel invloed had op de bloedsuikerrespons op een maaltijd als op de insulinerespons van de alvleesklier. Het minimaliseren van deze respons is wenselijk omdat dit helpt de bloedsuikerspiegel te stabiliseren voor duurzame energie. Zowel de glucose als de insuline waren het hoogst wanneer rijst werd gebruikt als zetmeelbron. De glucoserespons was minimaal wanneer sorghum werd gegeten als zetmeelbron, terwijl gerst de insulinerespons minimaliseerde. Voeding met sorghum en gerst als koolhydraatbronnen lijkt dus bij honden het meest effectief te zijn in het reduceren van de bloedsuikerrespons op een maaltijd. (afbeelding 1 en 2).

Het is belangrijk om bij honden de bloedsuikerspiegel na de maaltijd te beheersen omdat er een relatie is tussen een slechte glucosehuishouding en overgewicht bij dieren.5 Bovendien worden de eerdergenoemde omstandigheden (diabetes, dracht en veroudering) in verband gebracht met slechtere bloedsuikerresponsen op een maaltijd. De uitdaging voor hondenbezitters is het geven van een dieet dat een gelijkmatigere bloedsuiker- en insulinerespons bevordert. Hondenbezitters kunnen deze uitdaging aangaan door hun dieren voeding met een koolhydraatmix van sorghum en gerst te geven.
VOEDINGSBEHOEFTEN VAN GROTE RASSEN
Honden van grote en zeer grote rassen zijn tegenwoordig razend populair. Rassen die een volwassen lichaamsgewicht van meer dan 22 kilo bereiken, hebben de neiging tot een aantal problemen bij de ontwikkeling van de botten die gevoelig kunnen zijn voor voeding. Het verband tussen voeding en problemen met het skelet is de laatste jaren onderwerp van uitvoerig voedingsonderzoek geweest, met name voor wat betreft puppy's van grote rassen.5-8
Onderzoek heeft onjuiste voeding tijdens de groei in verband gebracht met verschillende skeletaandoeningen bij honden van grote en zeer grote rassen. Ongeveer 22% van de honden jonger dan een jaar wordt getroffen door problemen met de skeletontwikkeling en meer dan 90% van deze gevallen wordt beïnvloed door de voeding.6 Twee voedingsscenario's die aan deze problemen kunnen bijdragen zijn 1) het geven van vrije hoeveelheden van een voeding die te veel calorieën bevat, en 2) supplementatie met calcium tijdens de groeifase van de puppy. Het ontstaan van ontwikkelingsstoornissen in de botten wordt gewoonlijk in verband gebracht met snelgroeiende lange botten. Van deze aandoeningen zijn heupdysplasie (CHD), osteochondrose en hypertrofische osteodystrofie (HOD) de meestvoorkomende.
De ontwikkelingsstoornissen
Heupdysplasie bij honden (CHD) is een complexe biomechanische aandoening van het heupgewricht. Kenmerkend hiervoor is dat het oppervlak van de kom van het heupgewricht en het oppervlak van de kop van het dijbeen niet overeenstemmen. Het gevolg is verschillende gradaties van laxiteit (speling) bij het gewricht, waarbij de gradatie de ernst van de aandoening bepaalt. Laxiteit van het gewricht kan leiden tot vervorming van het gewricht, met artritis als gevolg. De symptomen variëren van ernstige kreupelheid of verlamming op jonge leeftijd tot het ontbreken van klinische verschijnselen. Heupdysplasie bij honden wordt veroorzaakt door vele factoren. Erfelijkheid speelt een belangrijke rol, evenals gewrichtskwetsuren en andere omgevingsfactoren. Van deze omgevingsfactoren zijn voeding en groeitempo van groot belang, in het bijzonder wanneer de pup tussen drie en acht maanden oud is. Bij pups met overmatige gewichtstoename in deze periode komen ernstige veranderingen in het heupgewricht gevolgd door degeneratieve veranderingen in dat gewricht vaker voor dan bij puppy's die trager groeien.1,10
Osteochondrose, waarvan OCD (Osteochondritis Dissecans) een voorbeeld is, wordt gekenmerkt door minieme verstoringen in de groei van het kraakbeen. Deze aandoening kan op verschillende punten van het skelet voorkomen, maar de meestvoorkomende locaties zijn de schouder, de knie, het spronggewricht en de elleboog. Osteochondrose kan leiden tot een acute gewrichtsontsteking of artrose waarbij het kraakbeenoppervlak wordt aangedaan. Er is sprake van OCD wanneer een minuscuul stukje kraakbeen losraakt van het bot en het bot wordt blootgesteld aan gewrichtsvloeistof. Hoewel vele factoren, zoals leeftijd,geslacht en ras bij OCD worden gezien als de boosdoeners, krijgen overmatige gewichtstoename en supplementatie met calcium de meeste aandacht vanuit het oogpunt van de voeding.12,13 Rassen waarbij OCD veel voorkomt zijn ondermeer Duitse doggen, Labrador retrievers, Newfoundlanders en Rottweilers.12
Ook hypertrofische osteodystrofie komt voornamelijk voor bij grote en zeer grote rassen, en wordt gekenmerkt door buitensporige botafzetting en vertraagde botresorptie nabij het distale spaakbeen, de ellepijp en het scheenbeen. Naarmate de ziekte voortschrijdt, raakt het zachte weefsel rondom de botverdikkingen beschadigd. Pijn en zwelling met daaruit voortvloeiende verlamming en schommelende koorts komen vaak voor. Sommige puppy's die zo ziek zijn, kunnen dan niet eten.
De genetische opbouw is een belangrijke factor voor de meeste ontwikkelingsstoornissen van de botten. Maar als erfelijkheid de enige factor zou zijn, zouden deze omstandigheden al lang geleden zijn uitgeroeid door selectief fokken. Voor CHD is een erfelijkheidscoëfficiënt van 40% gesuggereerd.14,15 Dit betekent dat ongeveer 60% van de invloedsfactoren voor CHD omgevingsgerelateerd zijn. Van deze omgevingsfactoren wordt voeding gezien als een hele belangrijke. Hoewel vele groepen voedingsstoffen zijn onderzocht, wijzen gegevens nogmaals uit dat te veel calorieën en te veel calcium de twee belangrijkste voedingsfactoren zijn.
Onervaren eigenaars van grote rassen denken misschien wel eens "groter is beter". Dit kan leiden tot het geven van te veel calorieën tijdens de cruciale groeifase in het leven van de puppy. Het geven van te veel calorieën aan een puppy kan een hoge maar ongezonde groeisnelheid tot gevolg hebben. Een te calorierijke voeding leidt niet alleen tot een toename van het lichaamsgewicht, wat de groeiende botten kan belasten. Snel groeiende lange botten kunnen daardoor zwakker worden dan botten die met een normale snelheid groeien. Het mechanisme voor de invloed van te veel calcium is veel complexer. Een hoog calciumgehalte in de voeding leidt tot een hoog calciumgehalte in het bloed, waardoor het natuurlijke mechanisme van het lichaam wordt aangespoord om een normale status te behouden. Door het hormoon calcitonine worden de normale kraakbeengroei en de snelheid waarmee bot calcium resorbeert, vertraagd. Chronische onderdrukking van deze functies door een overmaat aan calcium leidt tot een toenemende verdikking van het zich ontwikkelende bot. Dit dan vervolgens weer problemen bij de ontwikkeling van de botten en gewrichtsproblemen tot gevolg hebben. In een uitgebreid onderzoek onder opgroeiende Duitse doggen werd vastgesteld dat een overmaat aan voedingsstoffen een factor is die bijdraagt aan het ontstaan van orthopedische problemen.16
In dit onderzoek vertoonden puppy's die caloriebeperkte voeding kregen minder orthopedische ontwikkelingsproblemen dan puppy's die onbeperkte hoeveelheden calorieën kregen. Veelvoorkomende problemen zijn bijvoorbeeld vergroting van de aansluiting van de ribben op het kraakbeen, hyperextensie van de voorkniegewrichten, vergroting van de groeikernen van de lange botten en het verzakken van het "polsgewricht" van de voorpoten en het spronggewricht van de achterpoten. Sinds dit oorspronkelijke onderzoek is het werk bevestigd bij andere grote rassen waaronder ook andere Duitse doggen.16-18 Uit praktisch oogpunt wordt de volwassen grootte van een puppy van een groot ras voornamelijk bepaald door de genetische opbouw, d.w.z. de grootte van zijn ouders. Een vergroting van de calorie-inname door een puppy verhoogt alleen maar de snelheid waarmee de puppy dit gewicht bereikt. Puppy's die met een lager, gepaster tempo groeien, bereiken uiteindelijk hetzelfde gewicht als hun snelgroeiende nestmaatjes maar zullen minder snel gewrichts- en botproblemen ontwikkelen.
Een andere misvatting over voeding en problemen bij de ontwikkeling van de botten betreft de rol van eiwit in de voeding. Het gehalte van deze klasse voedingsstoffen in puppyvoeding zou ook invloed hebben op de incidentie van deze aandoeningen bij puppy's van grote rassen. Onderzoek ondersteunt deze theorie echter niet.19 Onderzoeken door Nap en collega's wezen uit dat Duitse dogpuppy's die vanaf het moment van spenen tot de leeftijd van 18 weken voeding met verschillende eiwitgehaltes (31,6%, 23,1% en 14,6%) kregen, geen verschillen in de calciumopname of ontwikkelingsstoornissen van de botten vertoonden.20 Eiwit wordt niet beschouwd als een belangrijke factor die ontwikkelingsstoornissen in de botten veroorzaakt bij opgroeiende puppy's van grote rassen.
Supplementatie met calcium is een andere gewoonte van veel onervaren eigenaars van puppy's van grote rassen. Onderzoek heeft aangetoond dat overmatige hoeveelheden calcium in de voeding een negatieve invloed hebben op de skeletontwikkeling bij grote en zeer grote rassen.21 Tijdens een 18 maanden durend onderzoek door The Iams Company en Auburn University (VS) kregen Duitse dogpuppy's een van drie diëten met een verschillend calciumgehalte van 0,48%, 0,8% en 2,7%. 86% van de verlammingen die tijdens het onderzoek werden vastgesteld, kwamen voor bij de puppy's die de voeding met een verhoogd calciumgehalte kregen.
Andere onderzoeken documenteerden dat Duitse dogpuppy's de opname van te veel calcium niet konden vertragen tot ze een maand of zeven oud waren.21-23 Puppy's van grote rassen moeten daarom voldoende en geen overmatige hoeveelheden calcium in de voeding krijgen. Praktisch gezien, is een gehalte van 0,8% calcium in de voeding bevorderlijk voor puppy's van grote en zeer grote rassen.
Sommige fokkers en eigenaars proberen standaardvoeding voor volwassen honden te gebruiken om de calcium- en energieopname door snelgroeiende puppy's te beheersen. Als de voeding voor volwassen dieren een standaardcalciumgehalte (1,1%) bevat, krijgt de puppy dus nog steeds te veel calcium binnen wanneer het deze voeding eet. Voeding met een normaal energiegehalte in combinatie met een lager calciumgehalte is ideaal voor puppy's van grote rassen. Dit type voeding is in de handel verkrijgbaar als voeding voor "puppy's van grote rassen".
CONCLUSIE
De diversiteit van hondenrassen die door de mens zijn ontwikkeld, heeft geleid tot interessante typerende kenmerken in lichaamsbouw, persoonlijkheid en voedingsbehoeften. Fokkers en eigenaars kunnen hun ras helpen gezond te blijven door goed onderzochte bevindingen over de voeding van bepaalde rassen en grootten toe te passen. Kleine en middelgrote rassen hebben vaak een hoger calorieniveau nodig om hun snellere stofwisseling te onderhouden. Alle rassen kunnen baat hebben bij voeding die helpt gezonde bloedsuiker- en insulineresponsen op een maaltijd te onderhouden door gerst en sorghum te gebruiken als primaire zetmeelbronnen. Grote en zeer grote rassen hebben tijdens de groei een gemiddeld calorie- en calciumgehalte nodig. Eigenaars en fokkers die bekend zijn met de speciale gezondheids- en voedingsbehoeften van hun ras, geven hun honden waarschijnlijk optimale voeding.
REFERENTIES
1.Case LP, Carey DP, Hirakawa DA, Daristotle A. Canine and Feline Nutrition, 2nd ed. St. Louis: Mosby Co, 2000; 248.
2.Bouchard GF, Sunvold GD. Improving canine glycemic response to a meal with dietary starch, in Proceedings. Recent Advances in Clinical Management of Diabetes Mellitus, North Amer Vet Conf, 1999; 16-19.
3.Sunvold GD. Dietary fiber for dogs and cats: A historical perspective. In: Carey DP, Norton SA, Bolser SM, eds. Recent Advances in Canine and Feline Nutritional Research: Proceedings from the 1996 Iams International Nutrition Symposium. Wilmington OH: Orange Frazer Press, 1996; 3-14.
4.Jenkins DJ, Wolever TM, Taylor RH, Barker H, Fielden H, Baldwin JM, Bowling AC, Newman HC, Jenkins, AL, Goff D. Glycemic index of foods: A physiological basis for carbohydrate exchange. Am J Clin Nutr 1981; 34:362-366.
5.Richardson DC, Zentek J. Nutrition and osteochondrosis, Vet Clin North Am Small Anim Pract 1998; 28:115-135.
6.Sunvold GD, Bouchard GF. The glycemic response to dietary starch. In: Reinhart GA, Carey DP, ed. Recent Advances in Canine and Feline Nutrition, Vol. II; 1998 Iams Nutrition Symposium Proceedings. Wilmington OH: Orange Frazer Press, 1998; 123-131.
7.Mattheeuws D, Rottiers R, Baeyens D, Vermeulen A. Glucose tolerance and insulin response in obese dogs. J Am Anim Hosp Assoc 1984; 20:287-293.
8.Johnson JA, Austin C, Breuer GJ. Incidence of canine appendicular musculoskeletal disorders in16 veterinary teaching hospitals from 1980-1989. J Vet Comp Orthop Trauma 1994; 7:56-69.
9.Lepine A. Nutritional management of the large breed puppy. In: Reinhart GA, Carey DP, ed. Recent Advances in Canine and Feline Nutrition, Vol. II; 1998 Iams Nutrition Symposium Proceedings. Wilmington OH: Orange Frazer Press, 1998; 53-63.
10.Crenshaw TD. Nutritional effects on bone strength in the growing canine. In: Reinhart GA, Carey DP, ed. Recent Advances in Canine and Feline Nutrition, Vol. II; 1998 Iams Nutrition Symposium Proceedings. Wilmington OH: Orange Frazer Press, 1998; 29-40.
11.Kasstrom H. Nutrition, weight gain and development of hip dysplasia, Acta Radiol 1975; 334 (suppl): 135-179.
12.Slater MR, Scarlett JM, Kaderly RE,et al. Breed, gender, and age risk factors for canine osteochondritis dessicans. J Vet Com Orthop Trauma 1991; 4:100-106.
13.Slater MR, Scarlett JM, Donoughue S, Kaderly RE, Bonnett BN, Cockshutt J, Erb HN. Diet and exercise as potential risk factors for osteochondritis dessicans in dogs. Am J Vet Res 1992; 53:2119-2124.
14.Willis MB. Hip scoring: a review of 1985-1986. Vet Rec 1986; 118:461-462.
15.Corley EA, Hogan PM. Trends in hip dysplasia control. J Am Vet Med Assoc 1985; 187:638-640.
16.Hedhammer A, Wu F, Krook L, et al. Overnutrition and skeletal disease - an experimental study in growing Great Dane dogs. Cornell Vet 1974; 64(suppl 5):1-159.
17.Kasstrom H. Nutrition, weight gain and development of hip dysplasia, Acta Radiol 1975; 33(suppl):135-179.
18.Lust G, Geary JC, Sheffy BE. Development of hip dysplasia in dogs. Am J Vet Res 1973; 34:87-91.
19.Lepine AJ. Nutritional influences on skeletal growth of the large breed puppy, in Proceedings. Canine Skeletal Development and Soundness, North American Veterinary Conference, 1998; 15-18.
20.Nap RC, Hazewinkel HAW, Voorhout G. Growth and skeletal development in Great Dane pups fed different levels of protein intake. J Nutr 1991; 121:S107-S113.
21.Lauten SD, Brawner WR, Hathcock JT. Growth and body composition of the large breed puppy as affected by diet. In: Reinhart GA, Carey DP, ed. Recent Advances in Canine and Feline Nutrition, Vol. II; 1998 Iams Nutrition Symposium Proceedings. Wilmington OH: Orange Frazer Press, 1998; 63-70.
22.Hazewinkel HH, et al Effects of chronic calcium excess on calciotropic hormones and calcium homeostatsis in growing large breed dogs. In: Influences of Different Calcium Metabolism and Skeletal Development in Young Great Danes. The Netherlands, 1969; 77-91.
23.Hazewinkel HA, Van den Brom WE, Van OT Klooster AT, Voorhout G, Van Wees A. Calcium metabolism in Great Dane dogs fed diets with various calcium and phosphorous levels. J Nutr 1991; 121:S99-S106.